Er zijn nieuwe aannemers in het dorp,
ze kijken en meten in rare hoeken.
Hun tegels zijn grijs en vormen zware blokken.
Het ene moment kronkelt, het andere is scheef, het volgende
staat recht en hard als een marinier. Bobbelend of verkrampt,
stekelig of spiegelglad.
Zo overstroomt: alle pleintjes, parkjes en veldjes
volgebouwd met zure ogen scherpe kaaklijnen
knarsende tanden lekkende muren. Bochten verbogen.
Routes verspert. Wandelpaden verstopt.
Buiten beklad met klodders en wilde strepen.
De voetstappen lijken hetzelfde, maar de kerk is verdwenen.
Nieuwe vogels in de bomen. Ze zijn ver
hun ruwe zwermen steeds groter. Soms
blokkeren ze de zon en de wolken. ’s Nachts blokkeren ze
de maan, dan spook je in het donker. Hun gezang, vol
gekraai en gekrijs, strekt zich uit en kruipt.
Als het zwijgt, opeens, wordt achter een raam
het licht uitgezet. De stilte hangt met veren om je nek,
klappertandend. De tocht begint te fluisteren. Eerst als een ontmoeting, maar al snel vertrouwd.
De wind was er altijd al, je hebt er muren omheen gebouwd.