Een lepel in mijn hoofd, knipperen als een vis
en zijwaarts zwemmen. Het komt wel goed,
maar ik blijf Lego opgraven in de tuin.
Wij zelf voor machines,
elkaar voor de zee,
onze zonen voor de zon;
ik weet wat de volgorde zal zijn,
ik ken de kanten van de geschiedenis.
Vanaf deze kant, in dit halfslachtige geheel,
een gladde kilte. Hier zijn we
heel modern, weinig sterk, weinig snel.
Urenlang draaien we onze vuisten aan
voordat een groot blok oneindigheid
op ons neerstort.
Hier zullen we alles hebben,
zoals een boodschappentas openscheurt,
zoals een walvis explodeert.
Nadat ik uit elkaar val, hoop ik
dat er een boom uit mijn onbruikbare hart zal groeien.
Hier ben ik, hier was ik.